Denk aan het opschrijven van: alle stappen, de gebruikte formules, alle berekeningen en de juiste eenheden (zie: werken met formules)
1. Een 60 W lamp wordt aangesloten op het lichtnet. Bereken de stroomsterkte door de lamp.
2. Op een fietslampje staat: "6V, 6W". Hoeveel stroom kan er maximaal door het lampje?
3. Op een oude lamp is niet meer te lezen hoeveel vermogen deze heeft. Jan de Eman sluit hem aan op het lichtnet en meet met zijn ampèremeter een stroomsterkte van 326 mA. Wat is het vermogen van deze lamp?
4. Een lampje van 3 W wordt aangesloten op een batterij van 9 V. Het lampje brandt 15 minuten. a. Hoeveel energie zet het lampje per seconde om in licht en warmte? b. Hoeveel energie verlaat de batterij elke seconde? c. Hoeveel energie is na 15 minuten door het lampje omgezet in licht en warmte?
5. Een spaarlamp van 8 W en een gewone gloeilamp van 25 W worden beide aangesloten op het lichtnet. Beide lampen geven evenveel licht. Beide lampen branden 2 uur. a. Welke lamp heeft het grootste vermogen? b. Bereken de stroomsterkte door de spaarlamp. c. Bereken de stroomsterkte door de gewone gloeilamp. d. Welke lamp verbruikt het meeste energie? e. Bereken hoeveel energie de spaarlamp heeft gebruikt in 2 uur. f. Bereken hoeveel energie de gewone gloeilamp heeft gebruikt in 2 uur. g. Leg uit hoe het kan dat de beide lampen evenveel licht geven maar toch niet evenveel energie verbruiken.
6. Hoe lang kan een lamp van 1,5 W branden wanneer de batterij waarop hij wordt aangesloten een hoeveelheid energie heeft van 225 kJ?
7. Op de energierekening staat dat de prijs voor elektriciteit 25 cent per kWh bedraagt. De familie Lichtlacht moet een rekening betalen van 300 Euro. a. Hoeveel kWh heeft de familie verbruikt? b. Hoeveel J zit er in 1 kWh? c. Hoeveel J heeft de familie verbruikt?
1. Een 60 W lamp wordt aangesloten op het lichtnet. Bereken de stroomsterkte door de lamp.
2. Op een fietslampje staat: "6V, 6W". Hoeveel stroom kan er maximaal door het lampje?
3. Op een oude lamp is niet meer te lezen hoeveel vermogen deze heeft. Jan de Eman sluit hem aan op het lichtnet en meet met zijn ampèremeter een stroomsterkte van 326 mA. Wat is het vermogen van deze lamp?
4. Een lampje van 3 W wordt aangesloten op een batterij van 9 V. Het lampje brandt 15 minuten.
a. Hoeveel energie zet het lampje per seconde om in licht en warmte?
b. Hoeveel energie verlaat de batterij elke seconde?
c. Hoeveel energie is na 15 minuten door het lampje omgezet in licht en warmte?
5. Een spaarlamp van 8 W en een gewone gloeilamp van 25 W worden beide aangesloten op het lichtnet. Beide lampen geven evenveel licht. Beide lampen branden 2 uur.
a. Welke lamp heeft het grootste vermogen?
b. Bereken de stroomsterkte door de spaarlamp.
c. Bereken de stroomsterkte door de gewone gloeilamp.
d. Welke lamp verbruikt het meeste energie?
e. Bereken hoeveel energie de spaarlamp heeft gebruikt in 2 uur.
f. Bereken hoeveel energie de gewone gloeilamp heeft gebruikt in 2 uur.
g. Leg uit hoe het kan dat de beide lampen evenveel licht geven maar toch niet evenveel energie verbruiken.
6. Hoe lang kan een lamp van 1,5 W branden wanneer de batterij waarop hij wordt aangesloten een hoeveelheid energie heeft van 225 kJ?
7. Op de energierekening staat dat de prijs voor elektriciteit 25 cent per kWh bedraagt. De familie Lichtlacht moet een rekening betalen van 300 Euro.
a. Hoeveel kWh heeft de familie verbruikt?
b. Hoeveel J zit er in 1 kWh?
c. Hoeveel J heeft de familie verbruikt?